Instellingen

Bij gemaakte back-uptaken of tijdens het maken van back-uptaken is het mogelijk om de taakinstellingen te bewerken.

Opmerkingen:

  • de namen van back-uptaken kunnen 1 tot 32 Unicode-tekens bevatten, maar mogen niet de volgende tekens bevatten:
    ! " # $ % & ' ( ) * + , / : ; < = > ? @ [ ] \ ^ ` { } | ~
  • De instelling back-upgegevenscompressie kan bij gemaakte taken niet worden gewijzigd.
  • Wanneer de taak wordt onderbroken en deze kan worden hervat, zal de status van de taak wijzigen naar onderbroken. Als de taak niet kan worden hervat, wordt de status van de taak gewijzigd naar geannuleerd. Zorg voor een stabiele netwerkverbinding en vergewis u ervan dat de totale gegevensgrootte bij de bandbreedte past om mogelijke onderbrekingen te voorkomen.

Versies roteren

Back-uprotatie is een versiebeheermechanisme. Het is handig om back-upversies te beheren door automatische oudere onnodige versies te verwijderen en opslagruimte vrij te maken. U kunt deze functie inschakelen bij Taakinstellingen of configureren wanneer u een back-uptaak maakt.

  1. Selecteer de gewenste back-uptaak in het linkerdeelvenster en klik op Taakinstellingen > Taakinstellingen > Rotatie.
  2. Selecteer Back-uprotatie inschakelen en kies de gewenste rotatiemodus:
    • Vanaf de oudste versies: de oudste back-upversies worden verwijderd wanneer het maximum aantal versies wordt overschreden.
    • Smart Recycle: het systeem bewaart elke back-upversie tot het gespecificeerd aantal versies wordt overschreden. Bij activering van de rotatie zal het systeem eerst de versies roteren die aan geen enkele voorwaarde voldoen. Wanneer alles bestaande versies aan onderstaande voorwaarden voldoen, zal het systeem het oudste versie roteren:
      • Uurversies van de afgelopen 24 uur: De oudste versie van elk uur wordt bewaard.
      • Dagelijkse versies van 1 dag tot 1 maand terug: De oudste versie van elke dag wordt bewaard.
      • Wekelijkse versies ouder dan 1 maand: De oudste versie van elke week wordt bewaard.
    • Aangepast bewaarbeleid: u kunt al naargelang uw behoeften tot zeven regels toevoegen aan de bewaarperiode en versie-interval. Het instellen van een bewaarperiode van een maand met een versie-interval van een week zou betekenen dat een back-upversie wordt bewaard per week en dat vier back-upversies in totaal worden bijgehouden.
  3. Specificeer het maximum aantal versies. Als het maximum aantal versies wordt overschreden, dan wordt de rotatie van de eerste versie gestart.
  4. Hebt u een regelmatig back-upplanning ingesteld bij Schema, dan kunt u een voorbeeldweergave zien van hoe uw back-upversies worden bewaard en het oudste herstelpint op de tijdlijn.
  5. Klik op OK om de instellingen op te slaan.

Opmerking:

  • Vergrendelde versies worden nooit verwijderd.
  • Alleen back-uptaken van meerdere versies bieden versierotatie.
  • De rotatie wordt onmiddellijk geactiveerd na wijziging van de instelling of voltooiing van de back-uptaak.
  • Vergrendelde versies worden uitgesloten van de berekening van het maximum aantal versies.

Gegevensontdubbeling op bestandsniveau uitvoeren

gegevensontdubbeling op bestandsniveau wordt ondersteund door Hyper Backup op DSM 6.1 of hoger. Naast de versie-overschrijdende gegevensontdubbeling kan Hyper Backup ook gegevensontdubbeling uitvoeren wanneer de bestanden worden herbenoemd of gekopieerd om opslagefficiëntie te verbeteren.

Opmerking:

  • ontdubbeling van gekopieerde of herbenoemde bestanden wordt ondersteund door modellen uitgerust met 128 MB RAM of hoger en door Hyper Backup op DSM 6.1 of hoger. Ontdubbeling op bestandsniveau wordt niet ondersteund door versies vóór Hyper Backup 2.0.0 en Hyper Backup Vault 2.0.0, zelfs wanneer beide pakketten zijn bijgewerkt naar versie 2.0.0 of hoger.
  • Ontdubbeling van gekopieerde bestanden wordt niet uitgevoerd op bestanden met een bestandgrootte kleiner dan 1 KB.
  • Ontdubbeling van gekopieerde bestanden kan de meeste bestanden tussen verschillende versies detecteren. Niet alle gekopieerde bestanden kunnen echter worden geïdentificeerd. Ontdubbeling kan variëren al naargelang uw gegevensinstellingen.

Een schema voor integriteitscontrole instellen

u kunt een schema voor integriteitscontrole instellen wanneer u een nieuwe back-uptaak maakt en de instellingen in het taakbewerkingspaneel wijzigt.

  • Indexstructuur controleren: deze handeling is vereist bij het uitvoeren van een integriteitscontrole en garandeert dat back-up en herstel met succes worden uitgevoerd.
  • Gegevens controleren: bij het uitvoeren van een integriteitscontrole kunt u een gegevenscontrole uitvoeren. Voor elke geplande integriteitscontrole kunt een limiet voor de verwerking van de gegevenscontrole instellen. "0 minuten" geeft aan dat er geen tijdslimiet is. Alle back-upgegevens worden bij elk uitvoeringsproces gecontroleerd. Een gegevenscontrole garandeert dat de back-upgegevens correct kunnen worden teruggezet.

Opmerking:

  • bij ingeschakelde Gegevens controleren wordt het controleproces weggeschreven naar logboeken met de gegevensgrootte en back-upversies van te controleren gegevens.
  • Is het schema voor integriteitscontrole in strijd met het back-upschema, dan worden ze achter elkaar in plaats van gelijktijdig uitgevoerd.
  • Het schema voor integriteitscontrole kan niet in het Configuratiescherm worden gewijzigd, maar wel worden verwijderd.

Codering aan clientzijde inschakelen

Bij het maken van een nieuwe back-uptaak kunt u het selectievakje Codering aan clientzijde inschakelen om de gegevens aan clientzijde te coderen. Deze coderingsfunctie is uitgerust met meerdere lagen van gegevensbeveiliging om uw gevoelige gegevens te beschermen. U moet een wachtwoord instellen nadat u codering aan de clientzijde hebt ingeschakeld en er wordt automatisch een coderingssleutel gedownload van Hyper Backup.

Hyper Backup codeert geback-upte gegevens met een versiesleutel en de AES 256-bit coderingstechnologie van militair niveau. Bij elke back-uptaak wordt willekeurig een versiesleutel gegenereerd voor elke versie. Dit betekent dat elke back-versie een unieke versiesleutel heeft. Vervolgens wordt de gemaakte versiesleutel gecodeerd met ECC Curve25519 coderingstechnologie en na het uitvoeren van de back-uptaak opgeslagen. ECC Curve25519 is een asymmetric coderingsalgorithme, ofwel, er wordt een openbare sleutel gebruik om gegevens te coderen en alleen een persoonlijke sleutel kan de gegevens decoderen.

Als clientzijdige codering tijdens het maken van de taak is ingeschakeld, dan wordt de persoonlijke sleutel, equivalent aan de coderingssleutel die in de gebruikersinterface van Hyper Backup wordt weergegeven, automatisch naar uw lokale pc gedownload en nergens naartoe overgedragen. Deze persoonlijke sleutel wordt gebruikt om de versiesleutel te decoderen die door de openbare sleutel wordt gedecodeerd. Na het voltooien van de back-uptaak, wordt de persoonlijke sleutel, gecodeerd door wachtwoord en AES 256-bit, overgedragen naar het doel. Na het invoeren van het wachtwoord wordt de gecodeerde persoonlijke sleutel gedecodeerd en vervolgens gebruikt om de versiesleutel te decoderen. Na decodering van de versiesleutel worden de geback-upte gegevens gedecodeerd en toegankelijk.

Opmerkingen:

  • vanaf Hyper Backup 3.0.1 worden gemaakte back-uptaken gecodeerd met ECC Curve25519-coderingstechnologie. De gecodeerde taken van eerdere versies worden nog steeds gecodeerd met de RSA 2048-coderingstechnologie.
  • hebt u codering aan clientzijde ingeschakeld, dan moet de wachtwoord/coderingssleutel worden ingevoerd om de gegevens van een back-uptaak te herstellen. Verliest u het wachtwoord/coderingsleutel dan gaan de gegevens permanent verloren.
  • de clientzijdige codering kan niet worden uitgeschakeld na de instelling van de taak. Ook het wachtwoord kan niet worden gewijzigd.
  • De codering van gegevensoverdracht wordt automatisch ingeschakeld, ook wanneer de codering aan clientzijde niet is ingeschakeld.
  • We raden aan uw gecodeerde back-upgegevens op DSM te bekijken voor optimale gegevensbeveiliging.
Versies roteren
Gegevensontdubbeling op bestandsniveau uitvoeren
Een schema voor integriteitscontrole instellen
Codering aan clientzijde inschakelen